vrijdag 4 december 2009

De wilde baren

Zo speelt Prinsje T kapitein op zee. Hij haalt het schapenvelletje uit zijn speeltent. En een ander, dat dienst doet als tapijtje, sleurt hij uit onze slaapkamer. Hij spreidt ze uit op de woonkamervloer en schikt daarop de afstandsbedieningen van de televisie, de dvd-speler, de Belgacom digibox en nog een blikken pennendoos die hij van mijn bureau ontvreemde. Dan gaat hij liggen, vleit zijn wang op de haren die wilde baren worden en roept: ‘Neen Elias, let op de gevaren! Ja goed, je hebt het weer gered! Hier komt Trolle! Oh neen, pas voor de eendjes. Je hebt een mooie vis gevangen. We moeten naar Thuishaven, vlug!’

donderdag 3 december 2009

Die twee

Daar lopen ze, naast elkaar, over de Bongenotenlaan. In hun beige pardessus, met hun parelwitte haren en een paarse mousseline foulard. Zij aan zij, met krasse stappen door de kou. Ze zijn tenger, al flink kromgebogen. Geen idee hoe oud en hoe beroemd die tweelingdames zijn. Als je ze ziet lopen bid je spontaan dat niet de een vóór de ander moet gaan.

dinsdag 3 november 2009

Samhain zeggen de heksen

We wandelden door het bos van mijn jeugd. Er vlogen nu parkieten rond. We raapten drie droge bladeren en een eikel op voor elk van ons. Op de blaadjes schreven we wat we kwijt wilden. ‘De pampertjes’, schreven wij op het blad van Prinsje T. We zetten er de vlam aan en lieten ze in rook opgaan. In de eikeltjes droomden we een doel. Dat plantten we in de aarde. Toen liepen we naar het kerkhof waar mijn vader ligt, met een takje rozebottel als offerande. De volle maan stond laag en geel boven de zerken, twee ganzen vlogen gakkerend over het graf, naar het verre verre warme zuiden.

zondag 25 oktober 2009

De pompoenbrigade


dinsdag 20 oktober 2009

Stouterik

'Jij bent een stouterik', zei Prinsje T onlangs, een boze frons tussen de wenkbrauwen. En hij vervolgde: 'Jij mag niet weggaan he mama!' (Ik was voor professionele doeleinden even naar het buitenland). Dat we zelf dat woord nochthans nooit gebruiken. 'Oh neen?, vroeg een collega verbaasd. Wat zeggen jullie dan wel? 'Jij bent een schatje', blijkt na een paar dagen zelfobservatie. Waarop hij steevast zegt: 'Neen, ik ben Prinsje T!'

maandag 5 oktober 2009

Mercedes

Ik hoorde voor het eerst van haar in een brief uit Afrika. Het moet zo'n achttien jaar geleden geweest zijn. Een vriendin werkte in Zambia in het kader van een landbouwproject. Op een avond had iemand in dat internationale gezelschap van jonge, bevlogen landbouwdeskundigen een plaat van haar opgezet. Wat M. precies over haar schreef weet ik niet meer. Het beeld dat zich in mijn herinnering gevormd heeft, is hoe in die donkere Afrikaanse nacht een stem weerklonk die mijn vriendin compleet van de kaart bracht. Zozeer dat ze er mij een brief over schreef. Ik kon in M's royale handschrift met moeite de naam Mercedes Sosa ontcijferen. Ik ging meteen op zoek naar haar muziek.

Eén keer zag ik haar life. Ze concerteerde in een afgeladen Bozar, het publiek at uit haar hand. Ze zong zittend, en dat begreep je als je haar geweldige lichaam zag. Bij Todos cambia, stond ze recht, nam een sjaal en begon te dansen. Het leek me alsof het hele gebouw daverde bij elke stap die ze zette. Ze was niet eens zo groot, merk ik nu op de foto's. Maar ze was evengoed een reuzin.

Daar moest ik aan denken, gisteren, toen ik het nieuws van haar overlijden vernam. Aan die ongelofelijke stem uit Zuid-Amerika die me via een brief uit Afrika had bereikt.

zondag 27 september 2009

Zaterdag

We werden wakker door Prinsje T die aan het huilen was. Dat hij zijn schoenen kwijt was, jammerde hij. Dat hij nu niet met de trein naar Brussel kon. Hij zat rechtop in bed en had zijn ogen open, maar alles wees erop dat hij nog aan het dromen was. Het is Ottokar die elke weekdag 's ochtends met de trein naar Brussel gaat.

Ik gaf Prinsje T zijn schoenen en hij klemde ze tegen zich aan toen ik hem naar onze slaapkamer bracht. Hij bleef ontroostbaar.

Ottokar boog zich naar me toe en fluisterde in mijn zieke oor: 'Ik voel me al wat beter. Wat zou je ervan vinden als ik ons mannetje meeneem met de trein naar Brussel?' Ook Prinsje T boog zich naar mijn zieke oor, en merkte dat daar eigenlijk niets te beleven viel.

Zo gingen ze naar Brussel. Ottokar en Prinsje T. Met de trein.

Ze zagen een heel groot vliegtuig heel laag overvliegen. Ze zagen zwarte mensen op de trappen van het station heel luid roepen. Ze zagen aan de koninginnengalerij twee gauwdieven ingerekend worden. Prinsje T was een beetje bang op de Grote Markt, want daar in dat kasteel woonde de ridder. Ze gingen een pakje Chinese thee kopen voor mama en voor Prinsje T in Passa Porta een puzzel van kikker en muis. Ze gingen een pannenkoek eten aan de Markten.

Toen stapten ze opnieuw op de trein en daarna op de fiets, reden naar huis, en kropen allebei bij mij in bed.

vrijdag 25 september 2009

Slaaplied

Het was al diep in de nacht en ik luisterde naar Lullabies from the axis of evil. Wiegeliedjes uit Iran, Irak, Cuba en nog wat van die schurkenstaten. Gezongen door iemand van het land van herkomst, en geherinterpreteerd door een Westerse zangeres. Het laatste lied op de cd, Mazar, wordt gezongen door Fanzya en Razya Khan Ali, twee vrouwen uit Afghanistan. Het klinkt zo intriest.

Op een dag zal mijn jongen
groot worden en sterk
zoals de bloemen bloeien
in de eerste dagen van juni
de lente komt er gauw.

Op een dag zal mijn zoon
ons land beschermen
als een brullende leeuw
kleine jongen van mij
zal onze grenzen verdedigen

Ik dacht aan Prinsje T en hoe die zo graag een leeuw doet. Hoe moet het voelen om een kind te wiegen en te denken aan de soldaat die hij later zal zijn?

donderdag 24 september 2009

Avond

In de verte, boven de grote vijver, het gakkeren van de ganzen. Dat blijft toch zo'n mooi woord.

woensdag 23 september 2009

M

'Gelukkige verjaardag', zeiden een aantal mensen enthousiast, maar Prinsje T was niet jarig. Hij was gewoon koning. Zo liepen we door het nieuwe museum, Prinsje T met zijn kroon van papier en ik. Ottokar lag al geveld in bed, maar wij waanden ons nog even vrij van het virus.


Ik weet niet waar we het meest van genoten. Waren het die prachtige nieuwe ruimten en de lichtinval? (Kijk mama, een boot, wees Prinsje T naar het grote ovalen dakraam). Was het die indrukwekkende video-installatie van Walter Verdin waarop stukjes van de kruisafneming traag, heel traag, voorbij gleden? Was het Prinsje T die in de zaal met heiligenbeelden overal sinterklazen herkende? Was het het diephemelsblauw van die ene zaal, dat opdook in elk van de schilderijen die er hingen? Was het het behang in het oude Hotel Vander Kelen, warmrood, vermiljoengroen, bladgoud? Was het het zicht vanop het dakterras, vlak over de daken van Leuven, op ooghoogte met de kever van Fabre en de bibliotheektoren, badend in het pastelkleurige licht van een septemberavond? Of waren het de mevrouwen die, geïnformeerd over Prinsje T's adellijke stand, vroegen of ze zijn prinses mochten zijn?

dinsdag 22 september 2009

Vandaag

veel werk
+ zoon ziek
+ man ziek
+ zelf snottebellen en keelpijn
= noodtoestand

vrijdag 18 september 2009

Dat ze hier ook graag woont, zegt ze. 'Maar een echte stad kun je het niet noemen. Het is hier geen Brussel of Antwerpen.' Dat is het niet, for sure. 'Mijn vrienden in die steden kijken smalend naar ons provinciestadje.' vervolgt ze. 'Hier is geen diversiteit.'


Dat laatste trof me. Ik vind dat een misvatting. 'Mijn kapster komt uit Irak', vertel ik. 'Op zomerse zondagen zijn de gazons van het provinciaal domein bezaaid met dekens en kleden van berberfamilies die uitgebreid komen picknicken. Ik wandel naar huis en word voorbij gejogd door twee Russisch pratende vrouwen, op de bank zit een oude berbervrouw naar het water te staren. Op de weide op de heuvel die uitkijkt over de stad, is het 's avonds een komen en gaan van jonge Turken. Loop door de Parijsstraat en negentig procent van wat mensen er tegen elkaar zeggen, klinkt in een taal die je niet verstaat. Schuif aan bij de kassa van de Delhaize en je hoort Engels, Spaans en Slavische talen. En dan heb ik het nog niet over de kinderen in het kleuterklasje van Prinsje T. Jade, Dilbirin, Bailoo, Yamilla, Tuna, Ben, Cordelia, Malik, Angelo...  '

Wat we hier in dit stadje aan de Dijle niet hebben, bedenk ik achteraf, zijn gettowijken met Noord-Afrikaanse jongeren die van verveling en uitzichtloosheid niet weten van welk hout pijlen te maken.

Dit is een stadje dat goed voor zichzelf en haar inwoners zorgt. De straten zijn hier mooi gemaakt, woonprojecten werden getekend door creatieve architecten, sociale flats en luxeappartementen delen hetzelfde park. Deze stad eerbiedigt zichzelf. Hier wonen mensen gráág binnen de negentiende-eeuwse gordel. Wat is dat toch met die multiculturele samenleving? Moeten er dan persé conflicten zijn opdat mensen die samenleving zouden zien?

woensdag 16 september 2009

Mijn persoonlijke mening

Ik ben niet zo gek op hoofddoeken, ik moet daar eerlijk in zijn. Ik ben er niet zo gek op omwille van de associaties die ik er bij heb. Die associatie, mijn persoonlijke associatie, is: men vindt blijkbaar dat wij vrouwen ons moeten schamen voor ons lichaam en dat we het daarom moeten wegstoppen. Dat kwetst me als vrouw en maakt me kwaad. Op precies dezelfde manier waarop ik kwaad wordt als ik chassidische vrouwen over de Antwerpse Meir zie lopen, met hun vleeskleurige ondoorschijnende kousen, hun lange mouwen, hun pruiken, zodat je toch maar niet hun échte haar zou kunnen zien. Of als ik hoor dat er plaatsen zijn waar het strafbaar is een kind in het openbaar de borst geven.

Dat gekwetst voelen en die kwaadheid zijn persoonlijke emoties en wie weet waar ze vandaan komen. Waarschijnlijk is het een boosheid die via mijn moeder in mijn bloed is gekropen. Zij zat nog op een nonneninternaat waar je met je handen boven het bed moest slapen en niet naakt mocht douchen. Zoiets sijpelt door, hoe je het ook draait of keert.

Ik heb geen problemen met de hoofddoek omdat het een religieus symbool zou zijn. Voor mij mag iemand rondlopen met een kruisje, een davidster, een boedha, een tika, een oranje tulband een vijfpuntige ster, whatever. Ik heb ook helemaal geen probleem met zo’n klein zwart hoofddoekje, dat overigens behoorlijk sexy kan staan. Mijn probleem is niet van ideologische maar van psychologische aard. Maar ik denk persoonlijk ook dat ideologie een lege doos is als ze voorbijgaat aan wat mensen voelen en ervaren. Ik denk dat het wel eens heilzaam zou kunnen zijn om daar nu net bij stil te staan. Zonder oordeel, want gevoelens zijn niet politiek correct of incorrect. Je hebt ze gewoon.

Ik ben dus niet zo gek op hoofddoeken, maar ik vind het een bijzonder slecht idee ze te verbieden. Niet eens omdat dat betuttelend is –meisjes en vrouwen moeten zelf maar beslissen wat ze met die hoofddoek aanvangen. Maar juist omdat iets verbieden er rechtstreeks toe leidt dat mensen het met hand en tand gaan verdedigen. Met de gekste argumenten eerst. Zoals Tom Naegels terecht opmerkt in Knack: de hoofddoek staat op dit moment zowel symbool voor emancipatie als voor een gebrek daaraan. Tot daar dus de waarde van ideologieën.

Ik vind dat we er net alles aan moeten doen om die lap stof te ontdoen van de betekenissen die eraan verbonden worden. En die zijn voor veel mensen, denk ik, verschillend. De vraag is hoe je dat doet, dat ontdoen van betekenissen. Ik weet het niet. Ik denk alleszins dat het niet is door hoofddoekenmeisjes te weren. Ik denk dat we er juist zoveel mogelijk contact mee moeten zoeken. We moeten ze in onze klassen houden. We moeten ze naar de jeugdbeweging krijgen en naar de sportclub. We moeten ermee naar de cinema gaan en ermee gaan shoppen. We moeten ze onthaalmoeder laten zijn van onze kinderen of zelf onthaalmoeder zijn voor hun kinderen. We moeten er op de thee. We moeten hen vragen ons te leren buikdansen. En wie weet zeg ik dan tegen zo’n hoofddoekenmeisje: ‘Weet je, mijn mama mocht niet naakt onder de douche, en ik word daar nu nog kwaad van.’ En zegt zij: ‘Weet je, ik heb nooit last van een bad hair day’.

Conversatie onder mannen

- Ik ben al groot he papa?
- Ja, je bent al flink gegroeid. En je gaat nog groeien he.
- Neen.
- Hoezo neen?
- Ik ben klaar met groeien.

dinsdag 15 september 2009

Wat je kan leren van een zonnebloem

‘Heb je onze zonnebloem gezien?’, glunderde de buurvrouw. Ik had haar gezien. ’s Ochtends al. Het had me verwonderd dat zij mij nog niet eerder was opgevallen. En ik had me afgevraagd of het dé zonnebloem was.

Ons beider zoontjes waren van de kleuterklas naar huis gekomen met een piepklein beschilderd bloempotje. Daarin een scheut. Ze hadden het zaadje zelf mogen planten. Dat was ergens in mei. Ze kan wel tot dertig centimeter worden, had de juf ons verwittigd. Je zal ze na verloop van tijd in een grotere pot moeten planten.

Twee dagen later sjotte bij de buren een van de oudere broers een voetbal tegen de zonnebloem. Potje van de vensterbank en kapot. Wat sneu voor kleine Ben, zei ik. Hoe de zonnebloemenscheut er aan toe was vergat ik te vragen.

Onze zonnebloemenscheut had eerst twee blaadjes en dan vier. Van een scheut werd het een plantje en we zetten het in een grotere bloempot. Op de vensterbank, want zonnebloemen houden van zon. En als de grond er te uitgedroogd uitzag, gaven we haar water. En toen ze groter werd en zichzelf niet meer leek te kunnen dragen, zetten we er een stokje naast. Zodat ze houvast had. En toen we op vakantie gingen werd de zonnebloem in spe naar een vriend gebracht. We kregen zelfs een telefoontje, daar op de Mont Ventoux, want de zonnebloem zag er niet goed uit en wat moest de vriend ermee doen? Binnen zetten, zeiden we. Ze is wellicht aan het uitdrogen.

We hebben geen groene vingers, het moet gezegd. En we zijn wel eens verstrooid. Prinsje T krijgt op tijd eten omdat hij geluid maakt. Een zonnebloem maakt geen geluid. Soms zag ze er uit als Louise P. vóór 7 september. Vaak konden we ze maar op het nippertje redden. Maar ze groeide maar en groeide maar en altijd kwamen er nieuwe blaadjes bij. Vorig week, de zonnebloem reikte al bijna aan de bovenkant van het raam, ze was Prinsje T al lang boven het hoofd gegroeid, was ze er eindelijk: de bloem zelf. Het groene kroontje opende zich en de gele bloembladen kwamen te voorschijn. Hoera voor de zonnebloem!

Dat was de dag vóór ik die van de buurvrouw zag. Die stond in een stevige verfemmer op de grond voor het huis. De stengel had de dikte van een kinderarm. Ze reikte tot net onder de dakgoot van het twee verdiepingen tellende huis. De bloem was zo groot als een kleine schotelantenne. En het was, zo verzekerde de buurvrouw mij, écht wel dezelfde zonnebloem die de kinderen hadden meegebracht uit de kleuterklas.

maandag 14 september 2009

Dierentuin

Vanochtend bracht Louise een haai naar de kleuterklas. Soms brengt ze een tijger. Soms een leeuw. Heel vaak een Movantoe.

Bed

We hadden dat spotje op de radio gehoord en besloten, inderdaad, dat ook onze matras aan vervanging toe was. In de winkel moest eerst Ottokar en daarna ik op allerlei bedden gaan liggen. De winkeljuffrouw zat op haar hurken en keek naar onze ruggengraat. Van het laatste bed wilde ik niet meer opstaan. Over vier weken slaapt Ottokar op Mars en ik op Venus. En als we elkaar willen kussen, moeten we over de Pont d’Amour.

zondag 13 september 2009

Dubio

Hij had zo'n plug in zijn oor die de oorlel uitrekt. En een tatoeage over heel zijn arm. En hij miste een hand. En nu vraag ik mij al heel de tijd af: als je zo'n tattoo laat zetten die een hele arm in beslag neemt, neem je die dan best op de arm mét de hand, of op de arm die ter hoogte van de pols eindigt op een stompje?

donderdag 10 september 2009

Woordenschat (2)

We stonden op de Mont Ventoux. Prinsje T op de arm van Ottokar. Zijn ogen bijna dichtgeknepen, zijn haartjes in een pluim omhoog door de strakke wind.

Op weg naar de top hadden we overal mobilhomes gezien. Ze stonden al klaar voor de ronde van Frankrijk die zaterdag voorbijkwam. Het was pas dinsdag. En de wind gierde.

Op zaterdag zaten we op de place du Forum in Arles onder een luifel met airco en keken naar de beklimming van die top. Voor het eerst begreep ik waarom die wielrenners, die Armstrongs en Contadors, waarom dat Goden zijn. Je zag nog net niet de vleugels aan hun schouders groeien.

Terug thuis, als ik Prinsje T de fietshelm met de haaien opzet om hem naar de opvang te brengen, glundert hij plots vol trots: ‘Kijk ik ben een Movantoe. Ja he mama, een Movantoe!’

Enkelvoud en meervoud

Ottokar: Wat heb jij veel dorst zeg!
Prinsje T: Neeen. Eén dorst!