Posts tonen met het label Louisetown. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louisetown. Alle posts tonen

woensdag 23 september 2009

M

'Gelukkige verjaardag', zeiden een aantal mensen enthousiast, maar Prinsje T was niet jarig. Hij was gewoon koning. Zo liepen we door het nieuwe museum, Prinsje T met zijn kroon van papier en ik. Ottokar lag al geveld in bed, maar wij waanden ons nog even vrij van het virus.


Ik weet niet waar we het meest van genoten. Waren het die prachtige nieuwe ruimten en de lichtinval? (Kijk mama, een boot, wees Prinsje T naar het grote ovalen dakraam). Was het die indrukwekkende video-installatie van Walter Verdin waarop stukjes van de kruisafneming traag, heel traag, voorbij gleden? Was het Prinsje T die in de zaal met heiligenbeelden overal sinterklazen herkende? Was het het diephemelsblauw van die ene zaal, dat opdook in elk van de schilderijen die er hingen? Was het het behang in het oude Hotel Vander Kelen, warmrood, vermiljoengroen, bladgoud? Was het het zicht vanop het dakterras, vlak over de daken van Leuven, op ooghoogte met de kever van Fabre en de bibliotheektoren, badend in het pastelkleurige licht van een septemberavond? Of waren het de mevrouwen die, geïnformeerd over Prinsje T's adellijke stand, vroegen of ze zijn prinses mochten zijn?

vrijdag 18 september 2009

Dat ze hier ook graag woont, zegt ze. 'Maar een echte stad kun je het niet noemen. Het is hier geen Brussel of Antwerpen.' Dat is het niet, for sure. 'Mijn vrienden in die steden kijken smalend naar ons provinciestadje.' vervolgt ze. 'Hier is geen diversiteit.'


Dat laatste trof me. Ik vind dat een misvatting. 'Mijn kapster komt uit Irak', vertel ik. 'Op zomerse zondagen zijn de gazons van het provinciaal domein bezaaid met dekens en kleden van berberfamilies die uitgebreid komen picknicken. Ik wandel naar huis en word voorbij gejogd door twee Russisch pratende vrouwen, op de bank zit een oude berbervrouw naar het water te staren. Op de weide op de heuvel die uitkijkt over de stad, is het 's avonds een komen en gaan van jonge Turken. Loop door de Parijsstraat en negentig procent van wat mensen er tegen elkaar zeggen, klinkt in een taal die je niet verstaat. Schuif aan bij de kassa van de Delhaize en je hoort Engels, Spaans en Slavische talen. En dan heb ik het nog niet over de kinderen in het kleuterklasje van Prinsje T. Jade, Dilbirin, Bailoo, Yamilla, Tuna, Ben, Cordelia, Malik, Angelo...  '

Wat we hier in dit stadje aan de Dijle niet hebben, bedenk ik achteraf, zijn gettowijken met Noord-Afrikaanse jongeren die van verveling en uitzichtloosheid niet weten van welk hout pijlen te maken.

Dit is een stadje dat goed voor zichzelf en haar inwoners zorgt. De straten zijn hier mooi gemaakt, woonprojecten werden getekend door creatieve architecten, sociale flats en luxeappartementen delen hetzelfde park. Deze stad eerbiedigt zichzelf. Hier wonen mensen gráág binnen de negentiende-eeuwse gordel. Wat is dat toch met die multiculturele samenleving? Moeten er dan persé conflicten zijn opdat mensen die samenleving zouden zien?

vrijdag 28 november 2008

Maar ook omdat de kruiden er zo lekker zijn

Prinsje T, Ottokar en Louise zaten vanavond met z’n drietjes Suske en Wiskes te lezen bij Mama Wong en haar kruiden*. Voor wie nog niet is ingewijd: Mama Wong is gewoon de lekkerste Aziaat in Groot-Leuven. Een fijn decor, democratische prijzen en vooral: Mama Wong kan echt waar toveren met haar kruiden.
En er liggen stapels Suskes en Wiskes. Wat wil een mens nog meer?

(*) Naamsesteenweg 178, 3001 Heverlee, tel 016 22 82 12, fax 016 23 86 82 (want om een of andere duistere reden blijkt Mama Wong en haar kruiden niet terug te vinden in de gouden gids)

zondag 12 oktober 2008

Echt waar



Dit is vooralsnog niet de Ardennen en wat mij dat heeft opgeleverd.
Dit is de geldautomaat naast de bioscoop die op dit moment geheel uit eigen beweging afschriftjes uitspuwt. Allemaal blanco.

donderdag 2 oktober 2008

Dagelijks brood

‘Alsjeblieft. Geniet ervan!’ zegt hij als hij mij het broodplankje voorzet. Hij glimlacht erbij. Hij zegt het met een zekere aandrang die maakt dat ik haastig de werktekst die ik bij me heb opzij leg en me volledig aan het gedesemd brood, de geitenkaas en zongedroogde tomaten wijd.
Ik die dacht dat dit etablissement er een was waar het bedienend personeel geselecteerd werd op hun capaciteit om klanten af te snauwen. Niet dus. Of niet meer. Hij lijkt het te menen. Hij zegt niet het standaard ‘smakelijk’. Hij zegt ‘geniet ervan’ en het lijkt of hij mij echt oprecht een fijne maaltijd wenst. ‘Was het lekker?’, vraagt hij als hij afruimt. Ik proef het nog een beetje na.

maandag 15 september 2008

Wat ze gezegd had

Als twee mensen van ruim middelbare leeftijd –hij wat kalend , zij wat uitgedijt– langs het terrastafeltje waar jij zit een hippe gezonde-sapjes- en hapjesbar binnenstappen, als ze drie minuten later, langs datzelfde terrastafeltje waar jij zit, weer naar buiten stappen en je mevrouw terwijl ze wegbenen hoort zeggen: ‘Het is dát wat ik zei, schat. Dat was vorige keer óók zo’, dan wil je weten wat ze dan wel gezegd had. Toch?

vrijdag 12 september 2008

Glenn

Het stond in bijzonder mooie letters en met sierlijke krullen tussen haar schouderbladen geschreven, de tattoeëerder was een echte kalligraaf.
Alleen, de man met de olijfkleurige huid en de snor die, hand op haar heup, zich met haar naar dat schermpje van de geldautomaat boog, zou je namen toedichten als Pedro, Juan, Rachid voor mijn part, maar Glenn?

woensdag 10 september 2008

Obstakel

Het Wit Madammeke, vaste waarde op de jaarkermis in Louisetown, is verhuisd naar het stationsplein. Dat maakt de kans groter dat –als ze om iets na zes uit een overvolle trein stapt die vertraging had ten gevolge van een obstakel op het spoor in Tubeke– Louise geconfronteerd wordt met de geur, de aanblik, de zuivere gedachte aan het genot van smoutebollen. Het is iets over zes. Over een uurtje gaat ze eten. Maar er was dat obstakel op het spoor dat in het Frans onverbloemd une personne sur la voie heette en al die bijzonderheden die Louise zich daar liever niet bij voorstelt en al die treinen en uurroosters overhoop en die massa op de proef gestelde passagiers die naar hun gsm grepen en er is al zo weinig nodig om Louise te doen kapseizen en het is niet iedere week kermis en dus mag het, vindt Louise. Alleen geen negen. Voor vier euro. De kleinste portie die geafficheerd stond.
Dus stapt ze naar het smoutebollenkraam met een offer , vindt ze, they can’t refuse.
Vier smoutebollen, zegt ze, voor twee euro.
Negen? Vraagt het smoutebollenmeisje dat Louises taal niet echt machtig is.
Goh, neen, negen is echt teveel, kan ik er geen vier krijgen, voor twee euro?
Het meisje weet niet wat ze er mee aan moet en keert zich naar haar collega die even jong maar Nederlandskundig is.
Hij keert de bus poedersuiker om boven de puntzak en schudt resoluut het hoofd: negen is het minimum

maandag 8 september 2008

De schrijfster in mijn straat

Maria Rosseels woont in mijn straat. Dat zag ik toen ik mijn lange nieuwe straat eens niet naar de ene, maar naar de andere kant uitliep.
Haar naam staat in grote letters op de brievenbus.
Zo’n huis, dacht ik. Zo aardig en eenvoudig, witgekalkt, met geraniums op de vensterbanken en zo knus tegen de voet van de heuvel aangeschurkt. Echt het huis van een schrijfster.

En of je het zou kunnen maken om bij zo iemand aan te bellen. En wat je dan zou zeggen: ‘Dag mevrouw Rosseels. Ik heb helaas nog geen boek van u gelezen, maar Dood van een non stond in mijn vaders boekenkast. Ik zou u graag leren kennen.’

Mijn vader had een grote boekenkast. Er waren massa’s titels, maar een knoert met de titel Dood van een non, dat maakte indruk op het kleine meisje dat ik was. Er moest wel iets speciaals zijn aan de dood van een non, dat je daar zo’n dik boek over schreef. Misschien was een non die doodging wel iets heel uitzonderlijks.

Dat laatste leek te kloppen. De nonnen in de school waar ik naartoe ging, hadden stuk voor stuk geen leeftijd. Hun huid was van het doorzichtige bleekroze dat je ook bij baby’s ziet. Ze hadden geen rimpels –omdat ze geen zorgen hebben, zei mijn moeder– maar er groeide een soort dons op hun aangezicht. Ze roken een beetje zurig. Misschien waren ze wel heel oud en onsterfelijk. En eentje was dan toch dood gegaan. Daar had Maria Rosseels een boek over geschreven.

Ik ben er altijd van uitgegaan dat ik het boek ooit zou lezen. Misschien moet ik dat maar eens doen, dacht ik, voor ik ga aanbellen aan dat huis. En hoe oud zou die mevrouw intussen zijn?

Ze is geboren in 1916, lees ik nu in Wikipedia. Ze zou in oktober 92 geworden zijn, als ze niet drie jaar geleden gestorven was, in Brasschaat. Barones Maria Rosseels woont niet in mijn straat. Soms is het leuker niet alles te weten.

zondag 31 augustus 2008

De sleutel van het huis van God

De Romaanse kerkjes vind ik het prettigste. Ik hou van de manier waarop het zonlicht schuin door de lage vensteropeningen valt, van de geur van wierook en zandsteen, en de verstilde koelte van het wijwatervat. Ik hou van de stilte van de plattelandskerkjes, waar je soms het gekwetter van vogels door de openstaande deur kan horen. Ik hou ervan een munt in het metalen offerandeblok te laten glijden, van de vlam die van lont naar lont vloeit en de geur van brandend kaarsvet.
(uit werk in de diepvries)

Vroeger, zo meent Louise, kon ze er overal binnen. En dat deed ze ook. Overal binnengaan waar een kerkdeur openstond. Vandaag houdt God zijn deur op slot. Op een paar van zijn huizen na. Zes toch nog, in Louisetown.

vrijdag 22 augustus 2008

Palen


Zijn hondje kwam op me af gelopen terwijl ik aan de rand van het water foto's nam. Wolken vaarden voorbij en de toren werd een kleine stip. 'Die verlichtingspalen', zei de man die nu lachend bij mij stond. 'Dat klopt echt niet in het beeld, wel? Ik heb hier ook al zo vaak gestaan.'