zondag 5 april 2009

Heverlee zondagmiddag

We liepen over de markt. Van het kraam met de nieuwe aardappeltjes en de peterselie naar dat van de mevrouw met de eieren. En dan naar de mijnheer met de dikke, sappige asperges. Feest!

vrijdag 27 maart 2009

De straf van de duizend kusjes

Je bijt zijn tenen eraf, een voor een, en hij kirt van plezier. Je zet je tanden in zijn hiel en hij biedt je zijn andere voet aan. Je kluift het hele beentje als een maïskolf af en hij schatert het uit. Je laat een vervaarlijk ‘hááám’ horen en begraaft je tanden in zijn buik en hij roep ‘nog!’.
Maar o wee als je hem kusjes geeft.

donderdag 12 maart 2009

Louise in de winkel met de parfums

Ieder seizoen koopt Louise een nieuw parfum. Ze staat voor de schappen met kleurige flesjes en verstuift op haar rechterpols ‘Un jardin aprés le mousson’ en op haar linkerpols ‘Un jardin sur le nil’. Dat laatste kent ze. Ze heeft het al gedragen. Ze verstuift wat, wappert met haar hand en ruikt.

Dan weet ze het weer. Het is april. Ze loopt door gouden straten in Pézenas. Ze draagt een jurk waarop ze zelf bloemen heeft geborduurd. Ergens klatert een fontein. Aan haar zijde loopt een trotse Ottokar, zo trots dat de mensen omkijken. In haar buik groeit al zes maanden Prinsje T. Ze voelt hem bewegen, hij is al een heel persoontje, daar in het holst van haar lichaam.
Later tijdens dezelfde vakantie zal ze voor hem zingen. In een oude zandstenen kerk, hoog op een berg. Het is een oeroud heiligdom, van Kelten, Romeinen en Christenen. De kerk is koel en leeg, het galmt er prachtig, ze laat de klanken trillen rond haar wassende buik. Daarna wandelt ze helemaal alleen met kalme stappen rond de besloten kloostertuin.

Louise besluit dat ze ‘Un jardin après le mousson’ zal nemen. Een zwangerschap kan je nooit meer overdoen.

De tuin aan de Nijl

donderdag 5 maart 2009

Louise prult wat met haar waskrijtjes

Ze moet nog een beetje oefenen.


maandag 23 februari 2009

Met trots melden Louise en Ottokar

Dat Prinsje T zijn eerste diploma heeft gekregen.






Hij mag nu naar de kleuterklas.

Maandagochtendblues

‘Weet je Prinsje T’, zegt Ottokar als ze op een maandagochtend met z’n drietjes vinden dat het veel te vroeg is om op te staan. ‘Het leven is maar voor 99% plezier.’
Hij komt het bed uit, haalt schone kleren uit de kast en mompelt: ‘En eigenlijk valt dat andere procent ook nog wel best mee.’

woensdag 18 februari 2009

Flora gaat naar Berlijn

Oh oh Berlijn! Wat fijn. Het moet alweer bijna vijftien jaar geleden zijn dat een tegenwoordig erg geletterde mijnheer een weekend met mij door die stad heeft gezworven. Ik herinner me van alles behalve namen. Dat we die eerste avond naar de opera gingen. De Toverfluit van Mozart, maar ik was te moe van de treinreis om er echt van te genieten. Dat het jasje dat ik toen droeg net iets te dun was voor het Berlijnse voorjaar. ‘Maar een echt leren jasje had je niet zo gemakkelijk in je tas kunnen stoppen.’ Ik draag dat jasje nog steeds, nostalgie oblige. Dat we voor de azuurblauwe poorten van Babylon hebben gestaan, en door een kasteel zijn gewandeld waar we sloefen over onze schoenen moesten trekken. Dat ik fotografisch betrapt werd terwijl ik de in marmer gebeeldhouwde billen van een oude Griek aan het bewonderen was en voor dat laatste stukje van de Muur. Dat hij mij meenam naar het eerste boekencafé in mijn leven en naar een donkere tent waar ik een beetje bang was. Dat ik een verrekijker heb gekocht op een marktje waar ze allerlei oorlogsmemorabilia verkochten en allerlei snuisterdingetjes in de bogen onder de S-bahn bij Friedrichstrasse (Er was daar een berenwinkel, Flora, moet je zeker heen). Dat we daarna warme choco met slagroom dronken, terwijl ik zorgzaam een cadeautje van allerlei prulletjes samenstelde voor iemand die thuis bijna mijn lief was en dat maar heel kort zou blijven. Dat we ’s avonds in zijn Spartaanse kamer in Potsdam naar noisemuziek van John Zorn luisterden, man man wat een lawaai. Dat ik schrok toen hij het elastiekje losmaakte waarmee hij zijn haar altijd in een staartje bond en er een bos lokken tevoorschijn kwam die tot ver over zijn schouders vielen. En dat ik dat veel intiemer vond dan –ik zeg maar wat- te weten in wat voor pyjama hij sliep. Die pyjama, daar herinner ik me niks meer van. Dat we in allerlei lekkere tenten gingen eten die bewezen dat Berlijn Duitsland niet is, en dat hij altijd betaalde. Het was hoffelijkheid, maar had ik toen maar de moed om te zeggen dat mij dat niet lekker zat. Dat ik, toen nog hevig sigarettenrokend, op het perron voor de trein terug een hoestbui kreeg die me op andere gedachten had moeten brengen. Dat hij mij, toen ik na dat veel te intense weekend terug op de trein naar huis zat, zelfs niet de minste geringste fractie van een beetje miste en dat was maar goed ook. Al zou ik het nog eens willen kunnen overdoen, dat weekend. Wat de tijd meeneemt kan je niet meer terughalen. Zeker naar de zoo gaan Flora. Die van Berlijn zien het niet zitten om Knut nog lang te houden.