woensdag 10 september 2008

Obstakel

Het Wit Madammeke, vaste waarde op de jaarkermis in Louisetown, is verhuisd naar het stationsplein. Dat maakt de kans groter dat –als ze om iets na zes uit een overvolle trein stapt die vertraging had ten gevolge van een obstakel op het spoor in Tubeke– Louise geconfronteerd wordt met de geur, de aanblik, de zuivere gedachte aan het genot van smoutebollen. Het is iets over zes. Over een uurtje gaat ze eten. Maar er was dat obstakel op het spoor dat in het Frans onverbloemd une personne sur la voie heette en al die bijzonderheden die Louise zich daar liever niet bij voorstelt en al die treinen en uurroosters overhoop en die massa op de proef gestelde passagiers die naar hun gsm grepen en er is al zo weinig nodig om Louise te doen kapseizen en het is niet iedere week kermis en dus mag het, vindt Louise. Alleen geen negen. Voor vier euro. De kleinste portie die geafficheerd stond.
Dus stapt ze naar het smoutebollenkraam met een offer , vindt ze, they can’t refuse.
Vier smoutebollen, zegt ze, voor twee euro.
Negen? Vraagt het smoutebollenmeisje dat Louises taal niet echt machtig is.
Goh, neen, negen is echt teveel, kan ik er geen vier krijgen, voor twee euro?
Het meisje weet niet wat ze er mee aan moet en keert zich naar haar collega die even jong maar Nederlandskundig is.
Hij keert de bus poedersuiker om boven de puntzak en schudt resoluut het hoofd: negen is het minimum

dinsdag 9 september 2008

Zuster Lucie

Het huis waarin ze woont, is vergroeid met de lagere school. Met z'n tweeën zijn ze er nog, om het Christelijke vuur brandende te houden. “Ik ben vandaag nog in alle klassen geweest. Ik zorg voor de verdeling van de uitgaven van Averbode, u weet wel : Zonneland, Zonnekind, Zonnestraal, Dopido, Doremi.”
Ze is al zestig jaar zuster. Bij de Dochters der wijsheid. “Maar meestal zeggen we de zusters Montfortanen, want dat klinkt bekender in de oren.” Of in het klooster gaan een roeping was? “Oh, ik weet dat niet. Het is niet dat je iemand hoort zeggen ‘kom’.”
(uit oud werk)

Zuster Lucie, klein, pittig en de spil van een bloeiende handel in ‘goede werken’. Ik ontmoette haar in 1999. Ze was er 84 toen. Ze had een donzig gelaat en nauwelijks rimpels. In haar woonkamer, waar ze me samen met zuster Constance ontving, geurde het naar koffie. Er waren koekjes, de journaliste en de fotograaf werden goed onthaald.

Alleen al voor het opsommen van al haar bedrijvigheden had ik in de krant twee paragrafen nodig. Kosovo, Roemenië, Bosnië, de voedselbanken, Plan International, Wereldmissiehulp, Bond Zonder Naam, de Blinden, de Bouworde, de vluchtelingen in het dorp, het Parochieblad, de jaarlijkse reis naar Lourdes…
Een eenvrouwsbedrijf was ze, zonder secretaresse of computer.

Er zijn nonnen. Er zijn bijvoorbeeld de nonnen die van internaatsjaren een hel maakten. En er zijn zusters, zoals zuster Lucie. Zo’n zusters die in de ogen van kleine kinderen misschien nog het meeste lijken op een lieve fee, of het nichtje van Sinterklaas - en de Paasklokken staan in hun garage. Zusters waarvan je echt zou willen dat ze onsterfelijk zijn. Niet omdat je gelovig bent, maar omdat je het fijn vindt dat er mensen zijn die dat kúnnen zijn. Op precies dezelfde manier zoals je het fijn vindt om onder een toren te wonen.

Die torens, ze worden niet meer gebouwd. En met elke deur van een kerk of kapel die op slot gaat, verdwijnt er iets. Op het einde van ons gesprek zei zuster Lucie:

“Ze hebben Onze Lieve Heer niet meer nodig. Dat voelt toch pijnlijk aan. Dat wij zogezegd de laatsten zijn. De laatste doet de deur dicht en het licht uit.”

Zelfs zusters kunnen zich niet verbergen voor het internet. Ik google haar op en vind haar naam in de blog van de schepen van onderwijs van de gemeente waar ik haar negen jaar geleden opzocht. In december vorig jaar verhuisden zuster Constance en zuster Lucie naar een serviceflat. Na bijna een eeuw ging in de kleine Montfortanengemeenschap bij de school de deur dicht en het licht uit.

maandag 8 september 2008

De schrijfster in mijn straat

Maria Rosseels woont in mijn straat. Dat zag ik toen ik mijn lange nieuwe straat eens niet naar de ene, maar naar de andere kant uitliep.
Haar naam staat in grote letters op de brievenbus.
Zo’n huis, dacht ik. Zo aardig en eenvoudig, witgekalkt, met geraniums op de vensterbanken en zo knus tegen de voet van de heuvel aangeschurkt. Echt het huis van een schrijfster.

En of je het zou kunnen maken om bij zo iemand aan te bellen. En wat je dan zou zeggen: ‘Dag mevrouw Rosseels. Ik heb helaas nog geen boek van u gelezen, maar Dood van een non stond in mijn vaders boekenkast. Ik zou u graag leren kennen.’

Mijn vader had een grote boekenkast. Er waren massa’s titels, maar een knoert met de titel Dood van een non, dat maakte indruk op het kleine meisje dat ik was. Er moest wel iets speciaals zijn aan de dood van een non, dat je daar zo’n dik boek over schreef. Misschien was een non die doodging wel iets heel uitzonderlijks.

Dat laatste leek te kloppen. De nonnen in de school waar ik naartoe ging, hadden stuk voor stuk geen leeftijd. Hun huid was van het doorzichtige bleekroze dat je ook bij baby’s ziet. Ze hadden geen rimpels –omdat ze geen zorgen hebben, zei mijn moeder– maar er groeide een soort dons op hun aangezicht. Ze roken een beetje zurig. Misschien waren ze wel heel oud en onsterfelijk. En eentje was dan toch dood gegaan. Daar had Maria Rosseels een boek over geschreven.

Ik ben er altijd van uitgegaan dat ik het boek ooit zou lezen. Misschien moet ik dat maar eens doen, dacht ik, voor ik ga aanbellen aan dat huis. En hoe oud zou die mevrouw intussen zijn?

Ze is geboren in 1916, lees ik nu in Wikipedia. Ze zou in oktober 92 geworden zijn, als ze niet drie jaar geleden gestorven was, in Brasschaat. Barones Maria Rosseels woont niet in mijn straat. Soms is het leuker niet alles te weten.

donderdag 4 september 2008

Voorbijgefietst.

Bientje?

woensdag 3 september 2008

Werken onder de toren (1)

Hij is zo’n vijf centimeter groot en hij lacht breeduit. Hij kwam met de instructie: Zet mij met mijn gezicht naar de deur. Zo breng ik geluk.

Dat houdt wel steek, vond Louise. Iets dat alles wat binnenkomt lachend tegemoet ziet. Als kantoorhulp kan dat tellen.

Alleen: naar welke deur laat ze hem kijken? Die naar de gang, waar eigenlijk alleen maar zo rond zes uur ’s avonds Prinsje T. komt binnenhuppelen? (Mama! Mama!, roept hij maar als ze hem wil kussen, is hij alweer op weg naar iets anders.) Of de deur naar het balkon, waar soms de kou en soms te veel zon, soms een bromvlieg of een wesp en vaak de sigarettenrook van Ottokar naar binnen waait?
Of zet ze die kleine boeddha uit Thailand met zijn gezicht naar het computerscherm, waar het internet, die roddeltante, de wereld over haar uitstort?

dinsdag 2 september 2008

Zoals bij Pictionary

‘Bientje’ Roept Prinsje T. ‘Bíentje!’
Het is dringend. We zitten op de fiets, hij wijst. Het wordt al jammeren nu. ‘Bientjehe!’ Hij stampt met zijn voeten en schudt zijn hoofd. Waarom rijdt die domme mama daar nu aan voorbij? ‘Neehee! Bieieieientje!’ Hoe kan ze mij nu niet verstaan, ze verstaat toch ook al eepad, of ifwaf of offietuur*?
En ik wil hem wel ter wille zijn maar God mag weten wat een bientje is.
Probeer het dan eens op een andere manier, wil ik hem vragen. Maar hij houdt het bij dat ene woord. Zoals wanneer je Pictionary speelt, en iemand altijd maar diezelfde rare lijnen tekent.

maandag 1 september 2008

Hoe gul de zomer op zijn einde

Augustus is de moeilijkste maand.
Dat de dagen korten, de zon lauwer wordt,
Zoveel beloftes nog niet zijn ingelost
En nog zo weinig tijd die rest
Voor luieren onder een notelaar
Een picknickdeken in het gras
Een hangmat tussen bomen
Voor vlees op het vuur en vrienden in de tuin.

Augustus is de maand van de zomer die voorbijgaat
Maar niet dit jaar - dit jaar was anders
Hier onder de toren, merkt Louise,
Doen de bomen onverstoord wat ze moeten doen
Laat het water, grijs vandaag van de wolken,
Zich grijpen door de wind
En zo vol de struiken zo overvloedig
De bottel op de egelantier
En hoe de wingerd nu begint de blozen.

Alles gaat hier zonder voorbedachte rade
En voor het eerst, in haar nieuwe woonst onder de toren
Verheugt Louise zich op wat komt
Zoals ooit op de lege schriften
En de nieuwe, scherp geslepen potloden.